zaterdag 28 juli 2007

Doorrijden

Tien centimeter van elkaar af. Ik probeer niet naar je te kijken, maar mijn ogen zijn op een punt samengebald. Er is ongemak. Er is niets. Ik weet niet wat er gebeurt, maar ik denk aan iets. Laat me even denken. Het sneeuwt, denk ik. Het is avond. De lucht is zwart. De lucht is weg. Er is niets. Je kijkt omhoog, maar ziet niets. Voor je het schijnsel van de lantaarn. Geluiden, dat hoor je. Je staat er middenin. Het knalt. Het is zo verschrikkelijk warm hier. Probeer ik slechts aandacht te vangen? Ik probeer om me heen te kijken, maar er is niets. Het suist. Ik weet ook niet wat te denken. Wat doe ik. Ik reik van mijn hand uit. Maar niet voor jou, voor de spiegel. Ik wil ons in de spiegel zien. Ik doe het. Geloof me. Even kijken. Naar wat? Waar moeten we naar kijken, hoor ik je schreeuwen. Je ogen verstarren. Je mondhoeken gaan omlaag. Je blik lijkt van je gezicht af te glijden.

Waarom rij je niet door?

Ga dan naar binnen. De deur zwaait naar binnen. Ik moet lopen. Ik moet weg. Ik moet iets zeggen. Wat moet ik zeggen? Wat gebeurt er? Gebeurde er iets? Een kort ogenblik. Een moment dat je niet meer ziet wat er recht voor je uit staat. Als ik de straat uitbuig ben ik weg. Het zicht is verder verdwenen. Soms denk je nog iets te zien. Je kijkt verschrikt op. Er schiet een auto voorbij. Je staat stil. Wat doe je voor mijn neus? Wat in hemelsnaam heb je hier te zoeken? Kijk eens. Kijk maar. Ik word gek. Ik sta hier ter plekke te springen. Het regent, sinds lange tijd. De regen plakt mijn jas tegen mijn borst als een poster op een reclamezuil. Wat kan ik nu doen. Wat is de gedachte? Is er überhaupt een gedachte? Heb jij er een gezien. Ik niet. Ik probeer te zoeken naar gedachtes, maar verdwaal in anderen. Ik probeer het van me af te denken. Ik stel me aan. Ja, dat is het. Ik doe het express. Alles is een toneelstukje. Wie effectief aan z’n act werkt en bovendien lang oefent, wordt er vanzelf verschrikkelijk goed in. Het is verschrikkelijk, om er zo over te moeten denken. Ik weet het niet. Niet omdat het zo is, maar omdat ik het zo wil. Een farce. Ik vermom mij al jarenlang. Ik ben een nar. Een nar die zijn rol overtuigend brengt. Waarom kan het niet stoppen. Waarom is er steeds zoiets.
Steeds iets anders. Ik heb nog wat excuusjes op de zolder liggen. Misschien wil je er een paar? Of een pallet? Die krijg je met korting. Het kost je nauwelijks iets. Ik leef de tijdelijkheid. Wat ik wil, wil ik nu. Er is geen tijd om te wachten. Je staat zo dichtbij, maar ik kan je niet zien. Je hebt je allang omgedraaid en weggelopen. Of wie loopt er weg? Vandaag liep ik weer weg. Ik was zenuwachtig. Nervositeit is een van de grootste vijanden van de mens. Het is geen zekerheid. Het wordt een taboe. Ik word een taboe. Ze zouden me moeten afschaffen. Laat ik me uitbuiten? Welke kant ga ik op? Er is geen open ruimte meer hier, buiten, in de kou. De hemel drukt tegen de aarde. De zware lucht slaat op mijn ademhaling. Loop dan weg. Er is nog steeds niets gezegd. Er is gezwegen. Ik weet niet wat ik wil. Het kan niet meer. Het is jouw waardigheid die hier op het spel staat. Je moet niets laten horen. Alsjeblieft, bel me niet. Laat me maar met rust. Wat verzwegen wordt kan evengoed doodgezwegen worden. Wat stil is, moet nog stiller worden. Ik ben een kleine jongen. Ik ben zo klein. Mijn huid krimpt. Ik probeer om me heen te kijken, maar ik zie helemaal niets meer. Het is zo groot. Je bent enorm. Alsjeblieft. Ik wil het je nu vragen. Laat me met rust. Het is beter. Het is maandag. Twaalf uur. Luchtalarm.
Je staat in brand. Zie je? Het is hier zo warm. Ik zweet me te pletter. Het druipt omlaag. Mijn sokken soppen in mijn schoenen. Hoe lang duurt het nog? Hoe lang duurt alles nog?

Cinescape

Even om in de stemming te komen...

Gesprek in de lift I

'Je staat te dichtbij’, met mijn ogen naar het plafond gericht. Geen geschuifel van voeten. De onbekende lijkt me niet gehoord te hebben. Toen de lift vastsloeg zwelde zijn hoofd rood. Hij stond druk te gebaren en sprak in een vreemde taal. Hij stootte zelfs zijn ellebogen en bijna stond hij op mijn tenen.

Met zulke hoogdravende emoties vast in een houten lift. Niet met een onbekende. Paniek. Angst. Weerzin. Na een paar minuten valt het klontje in de koffie. Hij wordt week; zijn armen slap langs zijn lichaam en de woorden nog maar lispelend. Als hij langer was doorgegaan had ik er iets van gezegd.

Ik hang tegen de houten wand. Het verleden is om me heen, de diepte in gekerfd. Met een pasje, mesje of de punt van een afgekloven balpen. Een paar keer druk ik op de knop met de bel. ‘In geval van nood hier drukken.’ Geen stem. Er is vast iemand onderweg. Veel keuze heb ik niet.
We zitten nu in hetzelfde schuitje.
Ik wacht. Ik wacht.
Ik ben geduldig. Ik blijf wachten.

Van een knop waar een bel op staat mag je best verwachten dat hij iets doet rinkelen. Of iets doet, gewoon. Eerst schelle tonen die op je oor slaan. Je went er al aan maar als je gehoor inzoomt, ben je geïrriteerd. Er gebeurt iets: niets overal en op iedere plek.

Het moeilijkste vind ik om niet te bewegen, in een cocon geweven hang ik roerloos aan een tak
van een dode boom. Er is het liftinterieur, de onbekende en ikzelf. Dat is het. De lift hangt in de tijd. De techniek heeft het begeven. We staan stil. We zitten vast. Het is warm. Ik gooi mijn huid in de hoek, vlak naast de onbekende, maar die lijkt niets door te hebben. Ik vraag me af of hij überhaupt iets doorheeft of hij een deel van is. Het geluid van razende auto’s in de omtrek. Als buiten bestond zou alles veranderd zijn. Maar niet dus. Het wordt benauwd. Nog steeds geen hulp. De adem van de onbekende ruikt naar zoet fruit. De wanden komen op me af net als de onbekende. Het is stil. Hij ademt zwaar. Ik denk dat hij rookt.

Hij is gaan zitten. Ik blijf staan; volhardend. Als ik merk dat ik korte, snokkende bewegingen met mijn benen maak (dat moet hem zeker zijn opgevallen) laat ik bijna onmerkbaar een zucht ongeduld vallen. Er is geen kier of spleet te ontdekken waardoor het ongeduld zou kunnen ontsnappen en de zucht, slechts uitgebracht om de tijd te doden, komt als een muur tussen ons in te staan: ik praat, hij geeft geen antwoord. Aanmatigend, alsof zijn zwijgen het lichaam vormt van mijn belediging.

Het omringende niets schijnt fel in mijn ogen. Ik voel hoe ze rood worden en licht opzwellen. Ik sluit ze in de wetenschap dat hij het niet ziet. Het moeilijkste is, vind ik, om stil te blijven staan. Het besef dat zowel mijn opsluiting als mijn vrijlating is in handen ligt van het lot - dat willekeurig zijn licht laat vallen op deze of gene - boezemt nog meer paniek in dan de onbekende mij al gaf. Zo voelt huiveren.

Ik loop door de tuin en onderzoek kleine zonnedauw, schichtig in mij opgroeiend, als het moment dat we vastsloegen. Zijn tentakels schuren op langs mijn benen.Hij rolt zich om mij heen. Hij kleeft, mijn lichaam kleeft, alles kleeft. Als ik mijn ogen weer opendoe stort een druppel zweet langs mijn wang omlaag. De tijd is gaan razen als een storm en intensiveert iedere beweging. Bij de kleinste stuiptrekking van mijn arm, wordt hij eraf getrokken. Ik heb heb bijna een vraag geformuleert.

Bijna.

Hij heeft zijn hoofd opgetild. Niet om te worden bevrijd, maar wachtend totdat ik iets zeg, hij wil overrompeld worden, overvallen door mijn walging die ik in een vraag probeer te stoppen.Mijn zak is vol. Voordat ik hier naartoe kwam… stroomde de saus gulzig langs mijn vingers. Nog voordat ik weg was, worstelde ik me door de menigte heen en wist nog juist het laatste servetje te bemachtigen. Er was niemand die iets zei.

Ik zou hem om een zakdoek kunnen vragen. Iets van minimale betekenis: een geste. Alleen daarmee zou ik zijn bereidwilligheid kunnen inschatten. Een antwoord betekent hoop. Ik wil schreeuwen. Iets, al is het maar de uitdrukking van mijn besef. Als antoniem van zijn aanwezigheid die me zo verschrikkelijk storend wordt opgedrongen. Hier sterven betekent het meest onopvallende einde. Ben ik daar niet naar op zoek? Is dat niet waar ik al jarenlang op wacht? Wat zoek ik eigenlijk? Wat wil ik? Wat doe ik hier? De avonden dat ik, te moe om enige inspanning te leveren, lavenloos in de bank hang, mijn voeten op tafel, mijn armen over twee leuningen gespreid. Is dat niet het wachten op het onvermijdelijke terwijl mijn passiviteit een waar paradijs van hem maakt.

Nu moet er een vraag komen; ook al lost hij op, zal hij hem nooit bereiken door de muur van ongeduld die het luisteren onmogelijk maakt. “Waarom ben jij” Ik durf mijn vraag niet af te maken. In mijn zweet proef ik de walgende smaak van het antwoord. Nu is het tijd om door te zetten. In de laatste seconden neem ik mijn zucht terug en haal diep adem: “waarom ben jij hier?” vraag ik.